Zelf-perceptie
  • Bericht auteur:
  • Berichtcategorie:Blog
  • Bericht reacties:0 Reacties
  • Leestijd:5 minuten gelezen

Toen ik lang geleden sociale psychologie studeerde, kregen we eens college over de ‘self-perception theory’. Deze theorie is gebaseerd op experimenten waarin proefpersonen hun emoties blijken te baseren op hun gedrag. Normaalgesproken zou je verwachten dat het andersom is: dat het gedrag voortkomt uit de emoties. Maar nu, zelfs al werd het gedrag aan de proefpersonen opgelegd van buitenaf, baseerden zijn hun gevoelens erop. 

In één experiment bijvoorbeeld moesten proefpersonen een potlood dwars tussen hun lippen houden terwijl ze tekenfilms bekeken. Dankzij hun kunstmatig afgedwongen glimlach, vonden deze mensen de tekenfilms veel grappiger dan de mensen in de controlegroep zonder potlood.

De ‘self-perception theory’ stelt zodoende, dat wij onze emoties vaststellen op basis van de reacties die we in onszelf waarnemen. Veel later ging ik het raakvlak van deze theorie met mindfulness zien. Want werkt het niet altijd zo? Hoe weet je het bijvoorbeeld als je verdrietig bent? Je merkt het aan de zware sensaties in het lichaam, aan de tranen in je ogen, aan de treurige gedachten en misschien aan een neiging je terug te trekken.

Als je goed kijkt en de blik naar binnen richt, zul je dan ook nergens een ‘ik’ vinden die ‘verdrietig is’, als een soort mannetje in de radio. ‘Verdrietig zijn’ bestaat altijd uit een zekere verzameling van verschijnselen. Iedere keer weer een beetje anders – en altijd in beweging, niet statisch.  Elke dag, de hele dag door, zien we hoe zich van alles in ons voltrekt. Omdat we dit ‘mijn gedachten’ en ‘mijn gevoelens’ noemen, concluderen we: ‘dit is wat ik vind, dit is wat ik voel, dit is wat ik wil’. 

Natuurlijk zijn er – ook zonder boeddhistische oefening – ook momenten dat we ons verbazen over wat zich in ons afspeelt, zonder het al te persoonlijk op te vatten. Vroeger paste ik geregeld op een tweeling, en vooral het jongetje kon zich soms hardop over zijn geest verbazen. Op een dag legde ik de twee iets ingewikkelds uit (over de natuur misschien) en ze hielden hun hoofdjes scheef, terwijl ze aandachtig luisterden. ‘Aha…. ik snap het!’ riep het jongetje opeens enthousiast. Zijn zusje fronste nog altijd moeizaam en schudde haar hoofd. Het jongetje keek haar even onderzoekend aan en begon toen zelf ook weer te fronsen: ‘Hoe kan het dat ik alles begrijp?’ vroeg hij mij verbaasd. ‘Tja,’ zei ik, ‘dat is een hele goeie vraag! Hoe komt het, dat we de dingen zomaar begrijpen? ‘Jij’ doet dat niet, het overkomt je gewoon – of niet.’ 

Een andere keer kwam ik deze kinderen van school halen, en het jongetje merkte op dat hij héél moe was, omdat hij nauwelijks had kunnen slapen. ‘Hoe kwam dat dan?’ vroeg ik. De vorige avond was de Europacup op de tv geweest, en hij had samen met zijn (Afrikaanse) vader zitten kijken, met alle bijbehorende opwinding en emoties. Toen Nederland de spannende wedstrijd tenslotte verloren had, was zijn vader diep teleurgesteld. ‘En daarom kon je niet slapen?’ vroeg ik. ‘Ja,’ legde het jongetje uit, ‘ik was heel verdrietig, want ik dacht  dat ik Nederland was en dat ík had verloren…’ 

Ik zei verbaasd: ‘Maar lieverd, jij bent toch Nederland niet? Jij bent gewoon jij en je hebt niets verkeerd gedaan!’ Hij zuchtte opgelucht, blij dat hij een probleem lichter was: ‘O jaaaa, dat is ook zo.’ 
Ik was geraakt door hoe letterlijk hij deze vereenzelviging had kunnen observeren en benoemen. Een volwassene heeft die open onschuld niet meer. Daar is meestal gewoon boosheid of trots; de vereenzelviging is een impliciete, vanzelfsprekende gewoonte geworden.

De Boeddha zei dat we, bij alles wat we in onszelf observeren, zouden moeten beseffen dat het niet ‘ik’ is, niet ‘van mij’, niet ‘mijzelf’. Juist omdat we ons meestal wel vereenzelvigen met gedachten en gevoelens, ervaren we schaamte, trots, boosheid en verlangen.  Ons hele leven lang zien we van alles in onszelf voorbij komen: meningen, overtuigingen, emoties, hersenspinsels, verwarring, helderheid, pijn en plezier. Niets daarvan is stabiel. Als ik het jongetje nu hij een jongeman is zou vertellen over wat hij vroeger gezegd heeft, zou het hem misschien heel vreemd voorkomen, als van iemand anders, die er allang niet meer is.

Harada Tangen roshi zei vaak spottend: ‘Jullie zeggen zo trots: “Ik loop, ik denk, ik weet.”’ Daarmee wees hij ons op een universele menselijke illusie. Alsof er ergens een ‘ik’ is, die aan de knoppen zit. Maar als je die bestuurder probeert te traceren, wat kun je dan eigenlijk vinden? 

Nisargadatta Maharaj zei heel duidelijk: ‘Beeld je niet in, dat je de doener bent. Laat de handelingen door je heen komen.’ Ook Dogen Zenji zei: ‘Ik leef door de dingen te laten gebeuren.’ 

Een kind observeert vaak nog zo argeloos, alleen maar constaterend, eerlijk en direct. Zo zouden we misschien opnieuw moeten leren kijken. Je kunt natuurlijk lezen over psychologische experimenten. Maar is het beste wat je kunt doen niet zelf te gaan zitten, héél stil te worden en simpelweg te observeren? Dan ga je langzaamaan beseffen, dat alles wat er voorbij komt, in wezen niet jezelf kan zijn. Want dat alles gaat voorbij en verdwijnt in het niets.

Het enige dat onveranderlijk aanwezig is, is die stille getuige die je zelf bent; de ruimte van je bewustzijn waarin het hele leven verschijnt.

‘Laat de natuur functioneren zonder je denken en gedachten.
Alleen actie en reactie, geen doenerschap, geen ik. 
Dit is het einde van lijden.
“Ik ben aan het doen,” “Ik heb gedaan,” “Ik zal doen,”
is manifestatie en lijden.
Wanneer je er echt naar kijkt,
zie je dat je nog nooit ook maar iets gedaan hebt.
— Sri HWL Poonja

Geef een antwoord