Waarom een zenmonnik zijn hoofd scheert
  • Bericht auteur:
  • Berichtcategorie:Blog
  • Bericht reacties:0 Reacties
  • Leestijd:4 minuten gelezen

Eens, jaren geleden, verbleef ik een tijdje in Dai Bosatsu, een prachtig zencentrum midden in de Catskill Mountains in upstate New York. Het centrum ademde een Japanse sfeer, met de houten vloeren, het klassiek Japanse dak en de grote tempelbel buiten. Er was ook een groentetuin, die nog maar pas was aangelegd door een oudere Japanse meneer, misschien noemden we hem Sato-san. Meneer Sato woonde al vele jaren in Amerika maar sprak nog altijd geen vloeiend Engels.
Het zencentrum lag vrij hoog in de heuvels en daarom was het er altijd koel, met meer schaduw dan zon. Zodoende lag de groentetuin op geruime afstand van het centrum, iets lager in de heuvels, waar meer zonlicht kwam. Het was veel werk om het land te bewerken en verzorgen, maar meneer Sato werkte er, bij periodes, elke dag urenlang en kwam dan ‘s avonds eten in het zencentrum. Hij straalde een zeker optimisme en tegelijk een gelatenheid uit, de aardse sfeer van iemand die de grillen van de natuur kent.

Op een vrije middag wandelde ik naar de tuin toe om die eens te bewonderen. Het was najaar en de zon verdween steeds vroeger achter de heuveltoppen. In de vallende schemering leidde meneer Sato me rond en liet enthousiast zien wat hij allemaal met de grond gedaan had: de keurige perken en ingepakte groentebedden. Ook liet hij de oprijlaan zien die recentelijk was aangelegd: een grindpad bovenop de modderige aarde. Hij wees op de kiezelstenen die nogal hoekig waren en zei: ‘Very, very sharp, with car.’ Ik begreep uit zijn hoekige gebaren dat de stenen alle kanten op sprongen als er een auto over reed. ‘Abunai, dangerous!’ lichtte hij toe.
Daarna speurde hij een tijdje met zijn blik over de grond en raapte een andere kiezelsteen op, die juist mooi rond en glad was. ‘Like monk’s head!’ (‘Zoals een monnikenhoofd!’) zei hij tevreden. Zachtjes wreef hij met zijn handpalm over het steentje heen: ‘Nothing sticking, very smooth.’ Hij knikte tevreden en keek me betekenisvol aan. Ik glimlachte en knikte terug. Zo had ik het nog nooit bekeken, de kale hoofden van zenmonniken zijn zo glad dat er niets aan blijft plakken.

Er zijn verhalen in de soetra’s van mensen die boos naar de Boeddha komen, omdat iemand in hun familie is ingetreden in de monnikenorde. Waarschijnlijk hadden ze andere plannen voor hun familielid. Ze maken Boeddha verwijten en gebruiken onverkwikkelijke taal. De Boeddha reageert op verschillende manieren. In een geval zwijgt hij eenvoudig, totdat de boze bezoeker uitroept: ‘Ha, je hebt geen antwoord hè, ik heb je verslagen!’ Daarop antwoordt Boeddha in verzen (ik heb deze vertaling uit een artikel van André Baets in het Boeddhistisch Dagblad):

De dwaas acht zich overwinnaar
als hij met ruwe woorden spreekt.
Maar de lankmoedigheid van iemand
met begrip, die is zijn overwinning.
Wie een boos mens met boosheid vergeldt,
die maakt het daardoor erger voor zichzelf.
Wie een boos mens niet met boosheid vergeldt,
wint een moeilijk te winnen slag.
Hij handelt in het belang van beiden,
van zichzelf en van de ander,
als hij wetend dat de ander kwaad is,
vol aandacht zijn rust bewaart.
Wie beiden geneest – zichzelf en de ander –
de mensen die hem als een dwaas beschouwen,
zijn niet op de hoogte van de Dhamma.

In een ander geval vraagt Boeddha aan nog zo’n woedende bezoeker, of hij wel eens dingen aan de deur gebracht krijgt. (Dit was 2500 jaar vóór de lockdown.)
– ‘Jawel’ zegt de man.
– ‘Ben je verplicht die dingen aan te nemen als ze je tegenstaan?’
– ‘Zeker niet!’ zegt de man.
– ‘Welnu,’ legt Boeddha uit, ‘net zo neem ik, wat jij me nu komt aanbieden, niet aan. Het blijft van jou.’
Tenslotte begrijpen deze mensen, die Boeddha met hun woorden aanvallen, dat hij niet meegaat in hun emotie, maar zijn kalmte geheel bewaart – en daarmee kalmeert hij hen ook, ze vinden geen bodem voor hun agressie en komen uiteindelijk tot rust.

Is dat niet wat het gladde hoofd van een monnik symboliseert? Een geest waarin de dingen niet blijven haken, wat voor verwijten je ook worden gemaakt. Zelfs als binnenin je, in je eigen geest, boze gedachten opkomen, zou je ze moeten laten wegglijden, geen bodem bieden. Want boos en kwaadaardig te zijn zal je nergens brengen, je geen vrede en rust geven.
Beter is het een ruime, kalme geest te hebben waarin de dingen gewoon voorbij gaan, wat ze ook zijn. Zodat je je nergens aan hecht en nergens tegen verzet. Als een eindeloze hemel waar de wolken doorheen waaien. Of zoals een groentetuin in een open dal, waar de zon en de regen ongehinderd kunnen komen.

Geef een antwoord