Mochi maken: opgaan in het grotere geheel
  • Bericht auteur:
  • Berichtcategorie:Blog
  • Bericht reacties:0 Reacties
  • Leestijd:3 minuten gelezen

De kleuren van de bergen,
de beken in het dal,
één in alles, alles in één;

de stem en het lichaam van
onze Shakyamuni Boeddha.

~ Dogen zenji

Aan het einde van het jaar kwam de tijd om mochi te maken, de gedroogde koeken van kleefrijst die lang bewaard konden worden. Op de 28e december verzamelden wij ons ‘s ochtends in de tempelkeuken. Een groepje monniken stoomde eerst de kleefrijst in houten kistjes op het vuur. De waterdamp begon langzaam de ruimte te vullen en de zoete geur van de rijst verspreidde zich overal.

In het midden van de keuken werd een enorme houten vijzel geplaatst met een bijbehorende houten hamer. Steeds opnieuw werd een grote klont gestoomde kleefrijst in de vijzel gelegd en dan met de hamer gestampt tot hij egaal werd. Het moest een compacte bal worden. Deze bal werd vervolgens weggelegd om op te stijven en uit te drogen. Later, als de  mochi eenmaal keihard was, zou hij in grote stukken worden gesneden en in koud water bewaard. We hadden hiervoor speciale tonnen maar ook een oude badkuip, waar heel wat kilo’s mochi in pasten.

Het slaan van de mochi was een speciaal ritueel. Verspreid door de keuken zongen we samen de Hartsoetra, met de handen gevouwen: ‘Fu i ku ku fu i shiki shiki soku ze ku ku…’ ‘Vorm is niet anders dan leegte, leegte niet anders dan vorm…’  Dat we ondertussen elkaars vormen steeds minder konden onderscheiden in de dichte stoom, leek een volmaakte illustratie van de tekst. Roshisama zong ook vol toewijding mee, knikte erbij met zijn hoofd alsof hij alles wilde onderstrepen.

Onder het zingen mocht iedereen een keer met de houten hamer op de rijst slaan. Voor de kleine Japanse vrouwen in ons gezelschap was het al een uitdaging om het gevaarte op te tillen; voor de grote Europese mannen was het vooral een kans er eens lekker op los te slaan. Toch ging het allemaal met zorgzame aandacht en respect.

Het hele gebeuren deed je voelen hoe alles samenhing: dat de rijst een geschenk was van de goegemeente, dat hun donaties ons in leven hielden. Het was een donatie aan de Dharma en de Dharma gaf hun en onze levens diepe betekenis. Als één lichaam gaven we leven aan zen.

Als de rijstkorreltjes door de ferme klappen grotendeels waren opgelost in de kleverige massa, was de portie mochi klaar en begon men weer met de volgende lading. Het langzaam verdwijnen van de individuele korrels deed me denken aan roshisama’s onderricht: laat het idee van ego los en besef dat je één bent met alle dingen. In feite is niets gescheiden, alles is één lichaam. Dat was wat de tempelrituelen iedere keer weer voelbaar maakten. Vergeet je kleine zelf, en weet je verbonden met alles en iedereen.

Zo kan ik soms ook door de stad lopen tegenwoordig en ontroerd zien hoe alle bewoners samen bewegen. We helpen elkaar, voeden elkaar soms een beetje op, botsen hier of daar en dansen dan weer samen. Als één groot, ademend lichaam.

Geef een antwoord