Verhalen

Vertellen over Japan
Op verzoek kom ik altijd graag vertellen! Over het leven in de Japanse tempel Bukkokuji en het bijzondere levensverhaal van mijn oude Zenmeester Harada Tangen roshi (die bijv. ooit kamikazepiloot was). Over mijn persoonlijke ervaringen in Japan: de verrijking en devotie, maar ook de moeilijkheden, botsingen en frustratie in zo’n vreemde omgeving, binnen een zó andere cultuur. Het sterke verlangen naar bevrijding en vrede.
Hieronder wat van die verhalen, de meeste eerder gepubliceerd in het Boeddhistisch Dagblad.

 

Herinnering aan Harada Tangen Roshi

Op een dag vatte onze roshi – of rosama, zoals wij hem liefkozend noemden – zijn hele onderricht samen in één gebaar.
Het was shiku-nichi (een dag zonder werk, wanneer iedereen in bad ging) en we zaten voor gyocha (de theeceremonie) in twee lange rijen; rosama vooraan. De thee was geschonken en gedronken en nu kwam het plechtige moment voor de wijze woorden van de meester.
Hij zat diep in zichzelf verzonken op zijn zijden kussen, met gesloten ogen. Lang bleef het  stil. Wij allen, monniken en leken, keken geduldig omlaag naar de tatami.
Tenslotte schraapte de roshi zijn keel en keek naar ons: ‘Ichiban taisetsu koto wa nan desuka?’ vroeg hij – ‘Wat is het allerbelangrijkste?’
Niemand antwoordde. We voelden wel aan dat iedere poging het ‘juiste’ antwoord te geven een vergissing zou zijn. Na een lange, plechtige pauze gaf rosama zelf het antwoord. Hij bracht zijn vuist omhoog en sloeg toen met een doffe klap op de bolling van de robe bij zijn buik. Ter hoogte van de ‘hara’. Ik keek vol ontzag uit mijn ooghoeken naar de meester – hem direct aankijken was ongepast – en zag hoe hij weer stil werd en terug in zichzelf keerde.
Tenslotte sprak hij nog een keer: ‘Dit was de teisho (dharma-toespraak) voor vandaag. ’ Hij vouwde zijn handen, maakte een diepe buiging en vertrok naar zijn kamer.

Het was voor ons overduidelijk wat hij had bedoeld. Tan-den was het woord dat hij eindeloos bleef herhalen: het centrum van de hara, onder de navel in de onderbuik. Probeer het maar eens: breng je aandacht daar, laat hem rusten in de hara en ontdek hoe stil je van binnen wordt.
Rosama spoorde ons aan om dag en nacht onze aandacht in de hara te houden om zo al het overbodige denken los te laten. ‘Osomi janakute’ zei hij ook vaak – kijk niet weg, laat je niet afleiden. Blijf aldoor gecentreerd in je hara. Of je nu de adem volgde in zazen of met de koan Mu werkte, dit was de instructie.
Met schitterende ogen placht roshi-sama het verhaaltje van Mu te vertellen: ‘Een monnik vroeg aan de zenmeester Joshu: “Heeft een hond ook Boeddha-natuur?” En grote, gróte meester Joshu antwoordde: “Mu”.’
Roshi-sama deed het voor, hij legde zijn gebalde vuist op de hara en fluisterde schor ‘Muuuuuuuu…’  terwijl hij de vuist langzaam van zich afduwde. Met deze koan was Harada Tangen roshi zelf tot zijn eerste kensho (spirituele opening) gekomen. Hij wilde het aan iedereen die het maar horen wilde, overbrengen: Geef alles aan Mu! Elke twijfel, elk verlangen, ieder idee – alleen maar ‘Muuuuu…’
Voordat je in welk concept ook blijft hangen, geef je helemaal aan Mu. En ontdek wie je werkelijk bent. Alleen maar bewustzijn.
Zijn naam Harada Tangen was eigenlijk een woordspeling. Veel Japanse familienamen hebben ‘hara’ of ‘da’ erin; beide betekenen ‘veld’ of ‘weide’. Harada zou een doorsnee naam kunnen zijn. Maar de klank hara betekent ook buik, en de klank da betekent ook ‘is’. Dus Harada klonk bij hem, voor wie met andere oren luisterde, als ‘het is de buik!’. En de naam Tangen klinkt voor wie het goed begrijpt bijna als tan-den (Chinees: tantien) die essentiële plek onder de navel.

 

 

——————————————————————————————————————-


19 januari 2016 – Zoals een kleine kakkerlak te zijn

DSC00184    ‘ON’

Het karakter ‘on’ betekent vriendelijkheid, zorg, goedheid. Het was een karakter dat mijn zenmeester Harada Tangen graag gebruikte in zijn calligrafieën.
Een keer combineerde hij het met het karakter voor ‘moeder’: De zorgzaamheid van de moeder.
Of met een enso (zencirkel) en ‘dai’ (groot):  Zencirkel – Grote Vriendelijkheid.
Hij legde uit, dat grote dankbaarheid vanzelf opkomt bij het zien van de eindeloze zorg en goedheid die ons ten deel vallen. Als we bijvoorbeeld beseffen, hoe onze ouders zich voor ons ingespannen hebben, ons jarenlang gevoed, beschermd en verzorgd hebben, hun betrokkenheid zien, dan kunnen we niet anders dan dankbaar zijn en een behoefte voelen om iets terug te doen….  Dat is wat ‘on‘ betekent, zei hij.
Een verhaal dat hij graag en vaak vertelde, ging over zijn belevenis met een baby-kakkerlak. Op een dag moest hij ver reizen naar een andere stad. Onderweg in de taxi nam hij op een gegeven moment het stukje cake dat hij voor onderweg had meegenomen, uit het servet waar hij het in had gevouwen. Tot zijn verrassing zat er een hele kleine kakkerlak bij de cake, naar hartelust aan het schransen.

Om het beestje te beschermen, vouwde hij het servet zachtjes weer dicht en stopte het zorgvuldig terug in zijn tas. Na een tijdje vroeg hij de chauffeur te stoppen en nam het pakje uit zijn tas om de kakkerlak uit het raam te zetten. Maar toen hij het beestje opnieuw zag, lekker etend van de cake, kon hij het niet over zijn hart krijgen. “Ah! Die arme kakkerlak, hier weggegooid in de wildernis, ver van zijn ouders en broertjes en zusjes… het arme beestje.” Dus pakte hij het opnieuw in bij het stuk cake.
Toen hij ‘s avonds eindelijk weer thuis kwam, was hij het hele voorval al vergeten. Tot hij zijn tas opende en het pakje zag. Hij maakte het voorzichtig open. Tot zijn vreugde zat de baby-kakkerlak er nog steeds in, ongedeerd en weldoorvoed. “Ik ga de cake niet opeten, de kleine kakkerlak mag hem hebben,” dacht hij, en legde de cake op een hoek van zijn bureau, waaraan hij zelf ging zitten werken. Na enige tijd kwam de kakkerlak opeens onder de cake vandaan, krabbelde over wat voorwerpen heen dwars over het bureaublad, en kwam tot stilstand vlak voor de meester. Het leek net, of het beestje boog: hij zakte laag door zijn pootjes en deed zijn kopje omlaag: ‘Dank, dank,’ leek hij te zeggen.
De zenmeester was verrast, en zette de kleine kakkerlak gewoon weer terug bij de cake, maar al gauw kwam die weer naar hem toe en boog opnieuw diep, het leek wel een dansje… Dit herhaalde zich een paar keer.
‘Het is al goed’, zei de meester tenslotte, ‘je hoeft me niet te bedanken, ik ben blij dat je het gered hebt. Ga maar naar huis, terug naar je familie.’ Toen verdween het beestje van het bureau en liet zich niet meer zien.

Als je reflecteert op alle goedheid en zorg die je je hele leven hebt mogen ontvangen: de lucht die je hebt ingeademd, het zonlicht, het voedsel van de aarde…. de mensen die je hebben geholpen, uitgedaagd, geïnspireerd en voortgestuwd…. je lichaam dat zich in stand heeft gehouden, het bloed dat door je aderen stroomt, de spieren die werken, de ogen die kijken, enzovoorts…
Als je al dat leven, al die energie en zorg kunt zien, voel je dan niet vanzelf een grote dankbaarheid? En dan een behoefte om iets terug te doen, er het beste van te maken met dat wat jou gegeven is? “Zelfs een kleine kakkerlak echoot die vriendelijkheid.” Dat zei Harada Tangen roshi.
“Maar wanneer je alleen maar klaagt, ziet wat je nog ontbreekt; als je alleen waardeert wat je goed uitkomt, en begint te mopperen als je niet krijgt wat je had verwacht… dan word je boos, ongeduldig, verontwaardigd, wat voor een demon word je dan?
In feite word je voortdurend beschermd en gedragen, in ieder moment. Je ontvangt voortdurend leven, in duizend zegeningen….”
Zo praatte meester Harada Tangen. Wat schaamde ik me soms voor mezelf! Ik had zoveel te mopperen… Diepe buiging voor hem.


14 januari 2016 – Waarom een zenmonnik zijn hoofd scheert

Toen ik ooit een tijdje in Dai Bosatsu verbleef, een prachtig zencentrum midden in de Catskill Mountains in upstate New York, ging ik een keer de verderop gelegen groentetuin bekijken. Deze tuin was aangelegd door een oudere Japanse meneer, die allang in Amerika woonde maar nog altijd niet helemaal vloeiend Engels sprak. In het heuvelachtige landschap was het altijd koel, er was vaak meer schaduw dan zon, en de groentetuin lag daarom op afstand van het centrum, iets lager en met iets meer zon. Het was veel werk om het land te bewerken en verzorgen, maar deze meneer werkte er bij periodes elke dag urenlang en kwam dan ’s avonds wat eten in het Zencentrum.
Op een dag wandelde ik naar de tuin toe om hem te bewonderen. Meneer Sato (laat ik hem zo maar noemen) leidde me rond en liet enthousiast zien wat hij allemaal met de grond gedaan had, de perken en ingepakte groentebedden. Ook liet hij de oprijlaan zien die was aangelegd, een grindpad bovenop de modderige aarde. Hij wees op de kiezelstenen die nogal hoekig waren en zei “very sharp, with cars….” Ik begreep uit zijn gebaren dat de stenen alle kanten opsprongen als er een auto over reed.
Daarna pakte hij een andere kiezelsteen op, die juist mooi rond en glad was. “Like a monk’s head’ zei hij tevreden (zoals een monnikenhoofd) en tegelijk wreef hij er zacht met zijn handpalm overheen: “Nothing sticking, very smooth.”
Zo had ik het nog nooit bekeken, de kale hoofden van de Zenmonniken zo glad dat niets eraan blijft hangen…
Er zijn verhalen in de soetra’s van mensen die boos naar de Boeddha komen, omdat iemand in hun familie is ingetreden in de monnikenorde. Waarschijnlijk hadden ze andere plannen voor hun familielid. Ze maken Boeddha verwijten en gebruiken onverkwikkelijke taal. De Boeddha reageert op verschillende manieren. In een geval zwijgt hij eenvoudig, totdat de boze bezoeker uitroept: Ha, je hebt geen antwoord hè, ik heb je verslagen!
Daarop antwoordt Boeddha in verzen (ik heb deze vertaling uit een artikel van André Baets in het Boeddhistisch Dagblad):
De dwaas acht zich overwinnaar
als hij met ruwe woorden spreekt.
Maar de lankmoedigheid van iemand
met begrip, die is zijn overwinning.
Wie een boos mens met boosheid vergeldt,
die maakt het daardoor erger voor zichzelf.
Wie een boos mens niet met boosheid vergeldt,
wint een moeilijk te winnen slag.
Hij handelt in het belang van beiden,
van zichzelf en van de ander,
als hij wetend dat de ander kwaad is,
vol aandacht zijn rust bewaart.
Wie beiden geneest – zichzelf en de ander –
de mensen die hem als een dwaas beschouwen,
zijn niet op de hoogte van de Dhamma.
In een ander geval vraagt Boeddha aan nog zo’n woedende bezoeker, of hij wel eens dingen aan de deur gebracht krijgt. – Jawel, zegt die. – En ben je verplicht die dingen aan te nemen als ze je tegenstaan? – Welnee, zegt de man. – Welnu, legt Boeddha uit, net zo neem ik, wat je me nu komt aanbieden, niet aan. Het blijft van jou.
Zo begrijpen deze mensen, die Boeddha met hun woorden aanvallen, dat hij niet meegaat in hun emotie, maar zijn kalmte geheel bewaart – en daarmee kalmeert hij hen ook, ze vinden geen bodem voor hun agressie, en komen uiteindelijk tot rust.
Is dat niet wat het gladde hoofd van een monnik symboliseert? Een geest waarin dingen niet blijven haken, wat voor verwijten je ook worden gemaakt. Zelfs als binnenin je, in je eigen geest, boze gedachten opkomen, zou je ze moeten laten wegglijden, geen bodem bieden. Want boos en kwaadaardig te zijn zal je nergens brengen, je geen vrede en rust geven.
Beter is het een ruime, kalme geest te hebben waarin de dingen gewoon voorbij gaan, wat ze ook zijn. Zodat je je nergens aan hecht en nergens tegen verzet. Als een eindeloze hemel waar de wolken doorheen waaien, waar de regen valt en opdroogt zonder enige hindernis.

19 november 2015 – Waarom zou je aan Zen doen? Of: lopen in de mist.
Een enkeling (niet de meerderheid) verschijnt, kort of lang na afloop van zijn of haar mindfulnesscursus, bij onze zengroepen. Daar doen we staande oefeningen, we mediteren, drinken een kopje thee en horen een zenverhaal…
Wat brengt het deze mensen, heb ik ze gevraagd, waarom blijven ze komen? Vaak antwoorden ze, dat ze langzaamaan een grote verschuiving in hun leven bemerken, als ze doorgaan met meditatie-beoefening. Hoe langer je doorgaat, hoe meer er verandert.
Er is een oud gezegde: Zen is als lopen in de mist : je raakt haast ongemerkt doorweekt. De verandering door meditatie is langzaam maar onmiskenbaar.
A: “Door hier elke week te komen, houd ik het levend voor mezelf. Na de mindfulnesscursus deed ik lange tijd niets meer aan meditatie, en toen begon ik het echt te merken. De oude patronen waren er weer in geslopen. Toen besloot ik de meditatie opnieuw op te pakken door naar de zenbijeenkomsten te komen.
Ik mediteer thuis niet elke dag, daar kom ik gewoon niet toe. Maar sinds ik hier weer geregeld kom, merk ik dat ik dingen steeds sneller kan loslaten, ik wind me niet snel meer op. Laatst moest ik bijvoorbeeld door de regen naar huis fietsen en werd helemaal kletsnat. Vroeger had ik flink gemopperd, nu voelde ik me eigenlijk wel goed; wat maakt het eigenlijk ook uit!”
M: “Een paar jaar terug identificeerde ik me volkomen met mijn gedachten! Daarom had ik nooit rust. Ik kon me toen niet eens voorstellen dat je ooit afstand van je gedachten zou kunnen nemen en ze loslaten. Het maakt zo’n groot verschil. Door de meditatie gaat dat steeds meer vanzelf – en die ontwikkeling gaat nog altijd door. Het wordt geleidelijk een tweede natuur.”
A: “Het is ook, dat je het meteen merkt, als je weer in een emotie schiet: je voelt veel bewuster wat er met je gebeurt en dat maakt een wereld van verschil. Bijvoorbeeld: je voelt je opeens geagiteerd, merkt dat je borst samentrekt, en dat is al genoeg om te kunnen zeggen: ach ja, een emotie. En dan word ik er niet in mee gesleurd.”
Het is ook het samen doen, dat enorm lijkt te helpen.
S: “Het zitten met een groep is toch anders, moeilijk te benoemen hoe precies. De concentratie, dat je er samen mee bezig bent, dat versterkt je meditatie. En als ik hier ben, hoef ik me even nergens anders mee bezig te houden!”

Mindfulness is niet gewoon een trucendoos, het is een manier van in het leven staan: open, zonder oordeel, mild, wakker; je leert verantwoordelijkheid te nemen voor hoe je je leven opvat. Dat is een oefening die je je hele leven kunt voortzetten.
Zen is in wezen niet anders. Het belangrijkste verschil met mindfulness is: in de zenmeditatie is het stil, je krijgt alle ruimte om je meditatie te doen – afdwalen, terugkeren, worstelen en genieten. De stilte van Zen staat veel diepte toe: je raakt even helemaal in jezelf gekeerd. Een ontdekkingstocht door je innerlijke ruimte.

————————————————————————————————————-
Elke dag is een goede dag!
Koan over meester Ummon (Yunmen) die tegen zijn monniken zei:
“Ik vraag jullie niet, om iets over de dagen vóór de vijftiende van de maand te zeggen, maar zeg me iets over de dagen na de vijftiende.”
Niemand zei iets.
Ummon antwoordde zelf: “Elke dag is een goede dag!”

Kun jij ook zeggen: elke dag is een goede dag? Of heb je toch wel klachten: je voelt je niet super, het weer is slecht, de dingen schieten niet op?
De dagen vóór de vijftiende, dat is het verleden – heb je daar een mening over? Of kun je al zeggen: het ging nu eenmaal zoals het ging, niets meer aan te doen.
Maar hoe zit het met dit moment, en het volgende en het volgende? Kun je het aangaan zonder verwachtingen, zonder mening, helemaal open? Gewoon doen wat je doen moet, zonder klachten? Als we dat kunnen, zijn we vrij, en is er geen probleem meer. Je doet je werk met overgave, maar je gemoedstoestand hangt niet af van enig resultaat.
Of het regent of stort, benauwd is of zonnig, het weer is zoals het is en altijd goed.
Elke dag is een goede dag.